Psychotische klachten na een bevalling

Lotgenotencontact | Ervaringsverhalen | Informatie | Publicaties

Als waan en werkelijkheid in elkaar schuiven


Onze trouwdag was één van de mooiste en meest bijzondere dagen in mijn leven. We wilden heel graag kinderen, dus vlak voor de grote dag stopte ik met de pil. Tijdens de huwelijksnacht grapte ik nog: “Het zou wel bijzonder zijn als ik nu zwanger zou raken”. Tijdens de huwelijksreis gedroeg ik me anders. Voor mijn man was het duidelijk dat ik zwanger was. Zelf was ik daar niet van overtuigd, maar het blauwe streepje op de test was een feit. Dat Valentijnsdag als uitgerekende datum werd gesteld, maakte het extra bijzonder. Met de zwangerschap was ik heel bewust bezig. Ik genoot van het geschop in mijn steeds dikker wordende buik. Het laatste trimester vond ik fysiek erg zwaar. Ik kreeg last van bekkenpijn en moest eerder stoppen met werken. Een moeilijk besluit, want ik wilde mijn collega’s niet met mijn werk opzadelen. Ik besloot om thuis verder te werken aan nog lopende zaken, zodat ik me met een gerust hart met verlof kon gaan.

Na bijna 41 weken zwangerschap komt de bevalling spontaan op gang. Met krachtige persweeën word ik met de auto naar het ziekenhuis gebracht. Na twee uur persen schuift het hoofdje van de baby geen millimeter op. De rustige omgeving waarin ik mijn kindje ter wereld wil brengen verandert naar een medisch spektakel waarover ik geen controle meer heb. In een houding die funest is voor mijn bekken wordt zonder pijnstilling een vacuümpomp geplaatst. Dat is zo ontzettend pijnlijk dat ik de weeën niet meer voel. Ik pers met volle kracht, maar er gebeurt helemaal niets. Na nog een keer krachtig persen wordt onze zoon uiteindelijk geboren. Aan het gezicht van mijn man is te zien dat hij behoorlijk opgelucht is, maar ik ben vooral blij dat dit voorbij is. Op eigen verzoek krijg ik pijnstilling. Daarna kan er gehecht worden en word ik overspoeld door een intens gevoel van blijdschap.

De kraamweek is voor mij heel intensief en pijnlijk. Ik heb last van aambeien, heftige naweeën, een ontwricht bekken, nachtelijk zweten, heel veel kraamtranen en een niet te stoppen melkproductie. Tot overmaat van ramp worden mijn zoon en ik beiden verkouden. We houden hem goed in de gaten, maar ondanks dat gaat het ineens heel erg slecht. Terwijl we spullen inpakken voor een bezoek aan de huisarts, stopt hij ineens met ademen. Gelukkig komt hij weer bij, maar de schrik zit er goed in. Met een ambulance wordt hij met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Er volgt een spannende nacht. In het ziekenhuis wordt me aangeraden om extra melk  af te kolven voor het geval mijn zoon zieker wordt.

Eenmaal thuis ervaar ik veel verdriet over de gebeurtenissen waar ik geen invloed op heb gehad en waaraan ik geen tijd kon besteden om het te verwerken. De borstvoeding verloopt niet goed en ik val erg af. Door het teveel aan melk verandert mijn zoon in een huilbaby. Daarbij ben ik erg beperkt in mijn doen en laten vanwege de bekkenproblematiek. Ik zit letterlijk aan de bank gekluisterd.

Langzamerhand voel ik dat ik de greep op de werkelijkheid begin te verliezen. Mijn hoofd stroomt over van gedachten. Ik kan niets meer onthouden en word chaotisch in mijn handelen. Elke dag begin ik met goede moed, maar het voelt als watertrappelen in een stormachtige zee, waarbij ik steeds kopje onder ga. Ik slaap nauwelijks en sta steeds vroeger op om me voor te bereiden op de dag. De lactatiekundige merkt als eerste op dat het niet goed gaat wanneer ik vraag of ik het telefonisch consult mag opnemen omdat ik mijn man niets meer duidelijk kan maken.
“Slaap je nog wel?” vraagt ze. Niet dus. Ik krijg het dringende advies om te gaan slapen, alles uit handen te geven en om de drie uur te kolven. Maar het gaat van kwaad tot erger. Ik kan niet meer slapen en leef in een andere realiteit. Ook mijn man ziet dat het helemaal mis is. Op het moment dat hij ons kindje in mijn handen duwt, gil ik dat ik helemaal geen kind heb. Als reactie tikt hij me een paar in mijn gezicht en hierdoor kom ik terug in het hier en nu.
“Je hebt een waan”, zegt hij verschrikt. Ik realiseer me dat ik ooit tijdens mijn studie geneeskunde erover gelezen heb. Wat gebeurt er allemaal met me? Ben ik in een psychose beland? 
De dienstdoende huisarts beoordeelt me op het moment dat ik helder ben. 
“Ik heb een psychose”, vertel ik, “dat kan niet anders.” 
Volgens de huisarts is er niets aan de hand. Ik ben oververmoeid, kan het allemaal niet meer aan en moet meer rust, ritme en regelmaat inbouwen. Ik krijg de suggestie om de twee uitingen “Ho!” en “Wat dan nog?” te gebruiken om mijn grenzen aan te geven. De slapeloosheid wordt niet gezien als alarmsignaal en de ongerustheid van mijn man wordt niet serieus genomen. Ik moet slapen, maar juist dat lukt niet. Mijn man regelt ondertussen van alles. Hij mobiliseert familie en vrienden en zorgt voor onze zoon.

De nacht erna slaap ik weer niet. Ik word nog onrustiger. Ineens lijkt het me allemaal heel erg logisch als ik er niet meer ben. Ondanks het gebrek aan slaap voel ik enorm veel energie. 
“Ik kan wel een marathon lopen”, laat ik mijn man weten.
Ik wil opnieuw contact met de huisarts, want ik maak me zorgen als ik een nacht niet slaap en daaropvolgend weer een waan krijg. Door de huisarts word ik niet gezien of beoordeeld en mijn ontremming wordt niet opgemerkt. Er wordt slaapmedicatie en antipsychotica voorgeschreven, maar dit op eigen houtje gaan gebruiken gaat voor mij een brug te ver. Voor mij voelt het alsof ik bestempeld word als ‘control freak’ die alles zelf in de hand wil houden. Mijn man belt met de therapeuten waar ik een jaar eerder een cursus mindfulness heb gevolgd. Zij komen die avond bij ons thuis. Ik ben mijn schaamte voorbij en vertel uitvoerig over mijn denkbeelden tijdens de waan. En dat ik dat echt niet nog een keer wil meemaken. 
“Ach, een beetje trippen is toch niet erg?” zegt de therapeut. Ik vertel dat ik bang ben dat als ik ga slapen niet meer wakker te worden. 
“Is dat erg?” vraagt hij. 
Of dat erg is? Ik heb net een kind gekregen, hij heeft me nodig. Samen doen we wat ontspanningsoefeningen, krijg ik tips om te slapen en instructies voor als het weer mis gaat. Na hun vertrek volgt een bijzondere avond. Ik ben ontspannen, voel een diepe verbondenheid met mijn man en val in slaap door naar de televisie te kijken.

De volgende ochtend maakt mijn man me wakker. Ik voel aan de tintelingen in mijn armen dat ik opnieuw in die andere wereld zit. Het lukt me niet om dat vreemde gevoel van me af te schudden. Na het ontbijt gaan we een flink eind wandelen. Vlakbij het meer maken we een foto van z’n drietjes. Een gelukkig gezin, maar met mij gaat het niet goed. Op de terugweg voel ik dat ik uitgeput ben. We zijn veel te ver gelopen. Ik maak mijn man duidelijk dat het voor mij voelt alsof de foto de laatste is waar we met z’n drieën op zullen staan. Bij thuiskomst ga ik op de bank liggen en belt mijn man de huisarts.
“Ik denk dat mijn vrouw een psychose heeft”.
Onmiddellijk wordt de crisisdienst gemobiliseerd, maar na hun vertrek voel ik me weer in die andere wereld glijden en kan er niet zelf uit komen. Naar mijn idee ben ik op weg naar het einde, naar mijn dood. Er lijkt te weinig tijd om uit te zoeken hoe ik dit kan omkeren.
“Ik moet iets doen wat ik niet kan”, roep ik steeds. Ik doel daarmee op het ‘loslaten’ van controle, maar als ik mezelf loslaat, dan zal ik overlijden. Is dat nodig om verder te komen? Ik huil. Mijn man belt de therapeut. Hij geeft tips aan mijn man: “Huil met haar mee”. Dat geeft ruimte. Zo krijg ik meer tijd om uit te vogelen hoe ik hier uit kom. Mijn urine laat ik lopen en ik blijf schudden met mijn armen om die nare tintelingen kwijt te raken.
“Ik krijg haar er niet uit”, hoor ik mijn man zeggen. Even later hoor ik geluiden die ik maar al te goed ken vanuit het ziekenhuis: ambulancebroeders die een reanimatiekit klaarmaken. Ze gaan met de defibrillator een poging doen om me er weer bij te krijgen. Op dat moment komt, volledig uit het niets, voor mij de oplossing: ik moet precies het tegenovergestelde doen van wat men tegen mij zegt.
“Wil je water?” 
“Nee.“
“Dan zou ik dit maar niet drinken.”
“Geef dan maar.”
“Ik zou deze bosbessen niet eten”. 
De crisisdienst belt en vraagt of ik langs kan komen. 
“Nee.”
Ze vragen of ik dan wel de deur opendoe voor een huisbezoek. 
“Nee.” 
Ik eet de bosbessen en neem een paar slokken water. Dan ben ik weer terug. Terug in het hier en nu. Van de crisisdienst krijg ik medicatie en word ik door mijn man naar boven gedragen. Door de vermoeidheid kan ik zelf de trap niet meer op lopen. Ik val in slaap. Voor mij voelt het als doodgaan. Mijn hart stopt met kloppen.

’s Avonds word ik wakker. Ik besef dat ik nog leef en dat ik thuis ben. Mijn broer zit naast mijn bed. 
“Ze is wakker, is dat goed?” hoor ik hem zeggen. 
Ik krijg een knuffel en voel zijn energie. Dat gevoel is zo heftig dat ik niet te lang kan knuffelen. Van hem begrijp ik dat de hele familie beneden is. Het moet dan wel heel erg met me zijn, want iedereen schijnt verdrietig te zijn. Later die avond lees ik een boek over succes en de kracht van nietsdoen. Is dit een grap? Wat moet me duidelijk gemaakt worden? En wie zit daar achter? Mijn man?
Van de beoordeling vanuit de psychiatrie krijg ik maar weinig mee. Heel even zie ik mijn zoontje en merk al gauw dat dat te heftig voor me is. Overal zie ik sneeuwvlokjes. Dan moet toch het einde nabij zijn? 
Op de tablet zoek ik een filmpje op van de Teletubbies. Eens kijken of dat leuk is voor later, als ons zoontje wat ouder is. Het gaat over afscheid nemen, een graf met bloemen en een mooie zon. Niet kijken, want dit is wel heel erg confronterend. Een film dan. Die gaat over een man die verder moet nadat zijn vrouw overlijdt. Ik doe de tablet dicht. Wat wil het universum mij nu duidelijk maken?
De huisarts belt en zegt dat ik het heel rustig aan moet doen. Ze vraagt of er bloed geprikt is. Dat is wel zo, maar dat vertel ik niet. Ik heb geen vertrouwen in haar. De afdruk van de pleister op mijn arm verraadt dat er blijkbaar iets is gebeurd. Heb ik iets toegediend gekregen?

Een vriendin van mij komt langs. Ze verzekert me dat er niets ergs is gebeurd en dat het allemaal goedkomt. Vanuit mijn achtergrond heb ik mijn eigen medische toestand al geïnterpreteerd, wellicht kan zij me helpen om mijn zorgen weg te nemen. Zo geef ik aan dat ik wellicht een lage bloedsuiker heb, omdat ik na het eten van zoetigheid helderder ben. Mijn zouthuishouding is misschien niet op orde. Wat als ze te laat zien dat mijn kalium te laag is? Ze weet me gerust te stellen. We lachen samen en het voelt als vanouds. Mijn gedachten gaan terug naar de tijd dat we als studenten geneeskunde elke week onbezorgd in de kroeg zaten. Nadat ze weg is, krijg ik de gedachten in mijn hoofd niet meer rustig. De hele nacht door blijf ik maar doormalen. Het lijkt alsof ik nu pas zie welke kansen ik in het leven gemist heb en zie ik momenten waar ik beter een andere keuze had kunnen maken. Doe ik wel werk wat bij me past? Heb ik mijn man ergens in geremd? Is hij boos over bepaalde dingen? Het houdt me in ieder geval behoorlijk bezig.

Steeds minder begrijp ik wat er gebeurt. Het onderstel van het wiegje fungeert als dienblad. Er staan smoothies, eierkoeken en bananen op. Twee flessen staan symbool voor de energieverdeling tussen mij en mijn man. Uit welke fles kan ik het beste drinken? En welke eierkoek moet ik eten? Ik kom er niet uit.
Ik moet plassen, maar mag niet van bed. Daarom plas ik in een theeglas. Door mijn man word ik onder de douche gezet. Spontaan zing ik allerlei liedjes met de douchekop als microfoon. Na het afdrogen draagt mijn man me terug naar bed en legt me onder schone lakens.
Hij rent rond als een kip zonder kop. Ik probeer hem duidelijk te maken dat al dat geregel van mij niet hoeft. De essentie is dat we met z’n drieën zijn, maar hij luistert niet. De psychiatrisch verpleegkundige komt langs. Hij begrijpt me tenminste.
“Mijn engel.”
Ik vertel hem nuttige dingen over eerdere nare ervaringen met slaapmedicatie. Als hij weer weg is, zie ik mijn zoon met een speentje in de wieg liggen. Dat ding haal ik er uit, zo kan hij stikken. De foto’s waar hij een beademingsmasker op heeft, staan in mijn geheugen gegrift. Als we eenmaal met z’n drieën op bed liggen, komt een eerder idee naar boven. Het begint precies te lijken op een situatie zoals ik me die steeds heb voorgesteld.

Waan en werkelijkheid schuiven keer op keer in elkaar. Koortsachtig probeer ik antwoord te vinden op de gedachte dat ik ‘iets moet doen wat ik niet kan’. Daarom laat ik weten dat als we allebei tegelijk onze zoon een kus geven, dat deze ellende dan voorbij is. Al mijn subtiliteit ben ik kwijt. Mijn man merkt dat en zorgt dat er een fysieke afstand komt tussen mij en mijn zoon. Ik voel het allemaal aan. Zie je wel dat hij bij me weggehouden wordt? Hij regelt dat ons kindje twee nachten bij mijn ouders logeert, zodat hij volledig voor mij kan zorgen.
Door mijn rusteloosheid kan ik de slaap maar niet vatten. Ook de hartkloppingen helpen niet mee om in slaap te komen. Ik weet dat mijn man boos wordt als het slapen niet lukt, maar ik durf gewoonweg niet, want ik ben bang dat ik niet meer wakker word. Wat als ik in mijn slaap weer zo’n lage bloedsuikerspiegel krijg? En waarom mag ik eigenlijk de slaapkamer niet uit? Kan ik via het raam vluchten als we ruzie krijgen, omdat ik niet doe wat goed voor me is? Ik stap uit bed, maar ook mijn man wordt wakker. Vliegensvlug ren ik de trap af en wil naar buiten vluchten. Maar dat krijg ik niet voor elkaar, ik word tegengehouden. Dan maar naar de woonkamer. Ik ben totaal in paniek en verbied mijn man om daar te komen. Ik wil mijn familie bellen en vertellen dat mijn man me iets wil aandoen. Uiteindelijk kan ik mijn broer bellen. Die stelt voor dat hij later op de dag langskomt. Ook bel ik mijn moeder. Zij komt meteen. Nu voel ik me veilig, want als zij er bij is, zal mijn man mij niets kunnen aandoen.

Met mijn moeder heb ik een leuke middag. We kletsen zoals we dat vroeger vaak deden en ze masseert mijn voeten. De psychiater komt langs. Ik vertel dat ik van mijn man niets meer mag: ik mag niet naar buiten en heb niet de beschikking over mijn telefoon. Van hem krijg ik toestemming om samen met mijn moeder naar buiten te gaan. Mijn voorstel is om de auto te pakken en weg te rijden, maar mijn moeder brengt me tot bedaren. Op de binnenplaats doen we alsof we aan het roken zijn. We blazen in de koude lucht wolkjes van onze adem en we lachen samen. Mijn man wantrouw ik. Ik begrijp niet waar hij mee bezig is.
Tijdens het bezoek van mijn broer en zijn vriendin  stel ik voor dat we een slaapfeest houden met karaoke. Nog steeds wil ik af en toe spontaan zingen. Mijn broer haalt een fotoboek tevoorschijn van een reis die ik jaren geleden maakte. Vreemd genoeg herken ik het niet meer, maar zie wel overal een verband tussen. Met het bestellen van een pizza is voor mij de chaos compleet. Aan mijn broer probeer ik duidelijk te maken welk visioen van de dood ik heb, maar voor hem is er geen touw aan vast te knopen. Als mijn andere schoonzus bloemen komt brengen omhels ik haar, maar word tegelijkertijd ontzettend achterdochtig. Ik begrijp niet waarom ze die bloemen - een grote bos rode rozen - komt brengen. De daaropvolgende nacht wordt een verschrikking. Door het toegenomen wantrouwen weiger ik naar de slaapkamer te gaan. Ik weet niet wat mijn man van plan is en ben bang. Zijn poging om mij tot bedaren te brengen, heeft een averechts effect. Alleen bij mijn broer voel ik me veilig. Medicatie weiger ik, maar hij overtuigt me het wel te doen. Van hem mag ik op de bank slapen in de ruimte waar hij ook is.

Die nacht hoor ik allerlei geluiden en denk te horen dat er brand is. Van slapen komt het niet, want angst blijft de boventoon voeren. Mijn broer mag van mij niet weggaan, maar hij moet werken en kan dus niet blijven. Mijn man probeert me te kalmeren door de televisie aan te zetten. Samen kijken we naar een uitzending over geluk. Voor mij zitten er dubbele boodschappen in. Daarom vraag ik waar hij mee bezig is en wat hij me duidelijk probeert te maken. Ik voel een beklemmend gevoel in mijn hals en pijn in mijn buik. Nu weet ik zeker dat ik doodga, alleen hoe en wanneer weet ik niet.
Nu is het genoeg geweest, ik wil weg uit dit huis. Ik houd het niet meer vol. Er wordt geregeld dat ik bij mijn ouders kan blijven. Mijn schoonouders zorgen voor onze zoon en mijn man slaapt een nacht ergens anders. Ik zie zijn verdriet en vraag me af hoe ik in godsnaam zo bang voor hem geworden ben.

Eenmaal bij mijn ouders kom ik tot rust. Daar dooft de psychose langzaam uit. Het contact met mijn man wordt hersteld en er komt tijd om te praten en elkaars verhaal te horen. Na twee weken ga ik terug naar huis. Mijn man begint weer met werken en ik kan langzaamaan de zorg voor onze zoon doen. Daar ben ik enorm dankbaar voor. De medicijnen worden afgebouwd en ik krijg mijn gevoel weer terug. Door de medicatie was dat volledig onderdrukt.
Ik teken, wandel en praat veel om verder te helen. Het is fijn om nog niet te hoeven werken. Zo heb ik toch een soort kraamtijd en kan ik bezoek ontvangen. Er komen andere bijzondere dingen op mijn pad. Van een fantastische lerares yoga leer ik mediteren, focussen en ontspannen. Groepstherapie is voor mij een fijne uitlaatklep en ik lees veel over voeding. Er volgt een ontmoeting met mijn opa die ik nog nooit eerder heb ontmoet.

Het eerste jaar ben ik vooral veel samen met mijn zoon, wat me enorm veel voldoening geeft. Zijn ontwikkeling gaat snel, maar wat ben ik dankbaar dat ik dat allemaal mag meemaken. Mijn herstel gaat met vallen en opstaan. Na zeven maanden heb ik toch even een terugval. Ik slaap slecht en heb flashbacks van de psychose. Door de tijdelijke ondersteuning van een antipsychoticum wordt een verdere achteruitgang voorkomen. Na het stoppen ervan gaat het redelijk goed. Toch voel ik dat het ijs nog dun is en dat ik snel uit balans ben. Hoewel het me aan de ene kant veel nieuwe ervaringen heeft gebracht, ben ik aan de andere kant nog steeds erg verdrietig over alles wat er is gebeurd. Ik ben erg geschrokken dat ik zo ontregeld ben. Daarnaast heb ik nog veel last van restverschijnselen, zoals geheugen-, concentratie-, slaapproblemen en prikkelgevoeligheid.

Ik hoop dat dit jaar het geluk ons meer zal toelachen en ik verder kan werken aan mijn herstel. Daar krijg ik elke dag weer een beetje meer vertrouwen in.

Dit ervaringsverhaal is geschreven door een (anonieme) lotgenoot kraambedpsychose. De tekst is geredigeerd en geplaatst op 25 februari 2016 door Karin den Oudsten.